woensdag 7 maart 2018

Het tabernakel is een tent


Homilie tweede zondag in de veertigdagentijd – B
Gen. 22,1-2.9a.10-13.15-18./ Rom. 8,31b-34./ Mc. 9,2-10

Broeders en zusters,

Het Evangelieverhaal van de gedaanteverwisseling van de Heer dat we vandaag gehoord hebben, wordt wel twee- tot driemaal per jaar voorgelezen in de kerk. Deze keer werd mijn aandacht getrokken door de uitspraak van de apostel Petrus die tot Jezus zegt: 'Rabbi, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.'
Een tent, waarom nu een tent?




Aan het begin van deze maand gaf ik voor de eerstecommunicanten van Tielt een rondleiding in de Onze-Lieve-Vrouwkerk van Tielt. U weet, deze kerk ligt ook op een berg, en toen we aan het tabernakel kwamen, zei ik tegen de kinderen dat dit misschien wel een moeilijke naam was, maar dat het eigenlijk gewoon ‘tent’ betekende. Het tabernakel is dus een tent. Eén van de catechisten, die ook al een tijdje de vormelingen begeleidt, was verbaasd. Ook zij wist dat niet.

Het is niet zomaar een tent. Het is een tent van samenkomst, de ontmoetingsplaats met de Heer, met God. In het Oude Testament is er voor het eerst sprake van het tabernakel. Het is een verplaatsbare tent die dienstdeed als plaats van aanbidding voor de Israëlieten en een symbool voor het verblijf van God in hun midden. De tent stond in  een grote omheinde ruimte, de voorhof, waarin ook een altaar stond voor brandoffers en een wasbekken waarin de priesters zich ritueel konden reinigen vooraleer ze de tent binnengingen. 

De tent zelf bestond uit twee ruimtes. Het voorste deel dat twee keer zo groot was als het achterste, noemde men het Heilige. Daarin stond een reukaltaar waarin tweemaal per dag geurige gaven werden verbrand om de Heer te behagen, een zevenarmige kandelaar die altijd moest branden en een tafel voor toonbrood waarop twee stapels van zes platte ongedesemde broden lagen, die elke sabbat werden verwisseld. Broeders en zusters, herkent u het? Het is niet zo verbazend dat we ook vandaag nog altijd in onze kerken wierook branden, dat we een altijd brandende godslamp staan hebben bij het tabernakel en dat we elke zondag  hosties, ongedesemd brood consacreren, heiligen.

Het achterste deel van de tent, achter een gordijn, werd het Heilige der Heiligen genoemd en daarin werd de Ark van het Verbond bewaard. Het waren de twee stenen tafels met de 10 woorden, de 10 geboden die Mozes op de berg Sinaï (de berg, jawel) van God had ontvangen.
Broeders en zusters, herkent u het?  In vele kerken hangt nog altijd voor het tabernakel een gordijntje. Bij ons wordt daar nu het Sacrament bewaard, het is de Heer zelf, en we noemen het nog steeds het Allerheiligste.


In  de verhalen van het Oude Testament reist de tent van samenkomst mee met de Israëlieten in hun veertigjarige reis door de woestijn. En boven de tent verschijnt een wolk als teken van Gods aanwezigheid. Hij die beloofd heeft dat Hij er altijd zou zijn voor zijn volk.

Ook vandaag in het Evangelie is er sprake van een wolk waaruit een stem klinkt en die zegt: “Dit is mijn welbeminde Zoon, luistert naar Hem.” Eigenlijk krijgen we in het Evangelie van vandaag, op de tweede zondag van de veertigdagentijd, een vooruitblik naar Pasen. Jezus die van gedaante verandert, zijn kleed dat glanzend wordt en zo wit die geen enkele kleermaker zou kunnen maken, is een beeld van de verrezen Heer.  Voor de leerlingen van Jezus is het een keerpunt dat ze nu nog niet ten volle begrijpen. Ze zijn daarin niet anders dan wijzelf. Het is een beeld van de Verrezen Heer die bij ons blijft en vandaag in deze Eucharistie aanwezig komt in het geheiligde Brood en Wijn; dat Lichaam en Bloed wordt. In de Kerk is zijn woonplaats het tabernakel, is Jezus Christus waarachtig tegenwoordig, onder de gedaante van Brood.

Buiten het Oude Testament en buiten het katholieke kerkgebouw om is er nog een derde tabernakel te vinden. Dat is het tabernakel, dat huist in elk mensenhart. Ook in ons diepste innerlijke is God aanwezig. Daarvoor moeten we ons openstellen en ons naar binnen keren, daarom is het goed om telkens weer, elke zondag naar hier te komen om te bidden en de Heer te ontvangen.

Maar, broeders en zusters, we kunnen hier niet blijven kamperen. We moeten terugkeren. Jezus daalde met zijn leerlingen weer de berg af, terug de wereld in. Zo worden ook wij, elke zondag opnieuw met Gods zegen naar onze eigen wereld teruggestuurd om God, Zijn Zoon en Zijn Geest onder de mensen te brengen. Dat doen we vooral nog meer dan met woorden, door onze daden. Daarom is het goed in deze veertigdagentijd, aandacht te vragen voor de minsten onder de minsten zoals Broederlijk Delen dat elk jaar opnieuw doet. Als voorbeeldfiguur stellen ze Grace voor, een Oegandese alleenstaande boerin met vijf schoolgaande kinderen die in een schamel hutje woont. Laten we door onze daden aan haar en alle andere mensen het gelaat zien van de Verrezen Heer. Laten we zien dat Hij ook woont in de tent van ons hart.